Besluit huurprijzen woonruimte

(laatst bijgewerkt op 6 november 2016)

Besluit van 18 april 1979 tot uitvoering van de artikelen 7, eerste lid, 9, eerste lid, 10, vierde lid, 15, eerste en tweede lid, en 18, vierde lid, van de Huurprijzenwet woonruimte

Artikel 1
1.   In dit besluit wordt onder het bestuur en de zittingsvoorzitters verstaan: het bestuur en de zittingsvoorzitters, bedoeld in artikel 3a, tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte.
2.   Onder woonruimte welke een zelfstandige woning vormt, wordt in dit besluit niet mede begrepen een woonwagen of een combinatie van een standplaats en een woonwagen.
3.   Onder woonruimte welke niet een zelfstandige woning vormt, wordt in dit besluit niet mede begrepen een standplaats.

Artikel 2
Het bedrag, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, is gelijk aan het bedrag, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag.

Artikel 3
[Vervallen per 01-07-1996]

Artikel 4
1.   Het bedrag van de bij wijze van voorschot aan de Staat verschuldigde vergoeding, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, en het bedrag van de vergoeding, bedoeld in dat lid, wordt vastgesteld op:
a.   indien de verzoeker dan wel de partij die niet de verzoeker is een huurder is: € 25,
b.   indien de verzoeker dan wel de partij die niet de verzoeker is een verhuurder is: € 450, dan wel
c.   indien de verzoeker dan wel de partij die niet de verzoeker is een verhuurder is die op basis van de krachtens artikel 7, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte verstrekte gegevens, aantoont dat hij een natuurlijke persoon is: € 25.
2.   Het bedrag van de aan de Staat verschuldigde vergoeding, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, wordt vastgesteld op € 100.

Artikel 4a
Het bedrag van de aan de Staat verschuldigde vergoeding, bedoeld in artikel 8 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, wordt vastgesteld op:
a.   indien de verzoeker dan wel de partij die niet de verzoeker is een huurder is: € 25,
b.   indien de verzoeker dan wel de partij die niet de verzoeker is een verhuurder is: € 450, dan wel
c.   indien de verzoeker dan wel de partij die niet de verzoeker is een verhuurder is die op basis van de krachtens artikel 8 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte verstrekte gegevens, aantoont dat hij een natuurlijke persoon is: € 25.

Artikel 5
1.   De in artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte bedoelde waardering van de kwaliteit van woonruimte vindt plaats:
a.   voor woonruimte, welke een zelfstandige woning vormt, overeenkomstig het in bijlage I, onder A, van dit besluit vervatte waarderingsstelsel en de daarbij gegeven toelichting.
b.   voor een woonwagen of een standplaats overeenkomstig het in bijlage I, onder C, van dit besluit vervatte waarderingsstelsel en de daarbij gegeven toelichting;
c.   voor woonruimte, welke niet een zelfstandige woning vormt, overeenkomstig het in bijlage I, onder B, van dit besluit vervatte waarderingsstelsel en de bij bijlage I, onder A, gegeven toelichting voorzover deze mede op bijlage I, onder B, van toepassing is.
2.   De huurcommissie kan, indien de aard van de woonruimte daartoe aanleiding geeft, de kwaliteit van woonruimte beoordelen in afwijking van het in het eerste lid bepaalde.

Artikel 6
1.   Bij de beoordeling van de redelijkheid van de in rekening te brengen huurprijs ingevolge artikel 12, eerste lid, of artikel 16, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte neemt de huurcommissie in aanmerking of zich met betrekking tot de woonruimte een of meer van de omstandigheden, bedoeld in bijlage II van dit besluit, voordoen. Daarbij wordt door de huurcommissie ten laagste als de in rekening te brengen huurprijs die zij redelijk acht, vermeld:
a.   indien zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in bijlage II, onder 1, categorie A, van dit besluit: 20% van de overeengekomen huurprijs;
b.   indien zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in bijlage II, onder 1, categorie B, van dit besluit: 30% van de overeengekomen huurprijs;
c.   indien zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in bijlage II, onder 1, categorie C, van dit besluit: 40% van de overeengekomen huurprijs.
2.   Teneinde huurder en verhuurder inzicht te bieden in het beleid van de huurcommissie inzake de in het eerste lid bedoelde categorieën en de daarbij behorende verlaging van de in rekening te brengen huurprijs die de huurcommissie doorgaans redelijk zal achten, stellen het bestuur en de zittingsvoorzitters op basis van door hen geformuleerde regels een geschrift op, genaamd gebrekenboek. Het gebrekenboek is openbaar en ligt bij de huurcommissie ter inzage.
3.   In het gebrekenboek, bedoeld in het tweede lid, wordt voor ieder van de in bijlage II, onder 1, categorieën A, B en C, van dit besluit bedoelde omstandigheden aangegeven welke de door de huurcommissie ten laagste uit te spreken in rekening te brengen huurprijs zal zijn.
4.   Indien de huurcommissie de in bijlage II, onder 1, van dit besluit beschreven categorieën heeft onderverdeeld naar de mate van de ernst waarin de bewoonbaarheid naar haar oordeel wordt geschaad, is het derde lid op die onderverdeling van overeenkomstige toepassing.
5.   Indien zich tegelijkertijd twee of meer omstandigheden voordoen als bedoeld in bijlage II, onder 1, categorieën A, B en C, van dit besluit wordt voor de toepassing van het eerste lid door de huurcommissie ten laagste als de in rekening te brengen huurprijs die zij redelijk acht, vermeld de huurprijs, behorend bij de omstandigheid waarvan door het bestuur en de zittingsvoorzitters in het gebrekenboek de laagste in rekening te brengen huurprijs is aangegeven.

Artikel 7
[Vervallen per 30-11-1999]

Artikel 7a
[Vervallen per 01-07-1994]

Artikel 8
[Vervallen per 30-11-1999]

Artikel 8a
De maximale huurprijsgrens, behorende bij de kwaliteit van een woonruimte, wordt met 15% vermeerderd, indien:
a.   die woonruimte behoort tot een beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 1, onder g, van de Monumentenwet 1988,
b.   die woonruimte niet bestaat uit of deel uitmaakt van een rijksmonument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet,
c.   die woonruimte is gebouwd voor 1945, en
d.   door de verhuurder noodzakelijkerwijs gelden zijn besteed voor de instandhouding van de monumentale waarde van die woonruimte.

Artikel 9
[Vervallen per 30-11-1999]

Artikel 10
[Vervallen per 30-11-1999]

Artikel 11
[Vervallen per 30-11-1999]

Artikel 12
1.   Bij ministeriële regeling worden de maximale huurprijsgrenzen vastgesteld.
2.   Bij ministeriële regeling worden elk jaar op 1 juli de op 30 juni daaraan voorafgaande krachtens dit besluit geldende maximale huurprijsgrenzen geïndexeerd met het inflatiepercentage, met dien verstande dat de op basis daarvan berekende bedragen naar boven worden afgerond op hele eurocenten.

Artikel 12a
[Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden]

Artikel 12b
[Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden]

Artikel 13
Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de uitvoering van dit besluit.

Artikel 14
1.   Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit huurprijzen woonruimte.
2.   Het treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.

Bijlage I. bij het Besluit huurprijzen woonruimte:
A. Het waarderingsstelsel voor woonruimte welke een zelfstandige woning vormt

1.Oppervlakte van vertrekken:

1 punt per m2

 

2.Oppervlakte van overige ruimten:(berging, zolder, garage)

3/4 punt per m2

 

3. Verwarming:

 

 

per verwarmd vertrek

2 punten

 

per overige ruimte

1 punt *

 

4. Energieprestatie overeenkomend met de volgende Energie-index (EI):

Eengezinswoning

Meergezinswoning**

EI < 0,6

44

40

0,6 < EI ≤ 0,8

40

36

0,8 < EI ≤ 1,2

36

32

1,2 < EI ≤ 1,4

32

28

1,4 < EI ≤ 1,8

22

15

1,8 < EI ≤ 2,1

14

11

2,1 < EI ≤ 2,4

 8

 5

2,4 < EI ≤ 2,7

 4

 1

EI > 2,7

 0

 0

 

 

 

De energie-index is een cijfer dat het energiegebruik aangeeft op basis van de hoeveelheid energie die nodig wordt geacht voor de verschillende behoeften die verband houden met een gestandaardiseerd gebruik van een gebouw.
De in de tabel opgenomen energie-index wordt vastgesteld volgens de voorschriften, bedoeld in de door het Centraal College van Deskundigen van de Stichting Kwaliteit voor Installaties Nederland vastgestelde Nationale Beoordelingsrichtlijn 9500, delen 00 en 01, zoals vastgesteld op 31 augustus 2011, inclusief het wijzigingsblad, zoals vastgesteld op 5 juni 2014, waarbij wordt uitgegaan van de forfaitaire waarde voor de Energiebesparende maatregel op gebiedsniveau.
De eerste tabel van rubriek 4 zoals deze luidde op 31 december 2014 blijft van toepassing bij de waardering van de energieprestatie van woningen waarvoor op uiterlijk die datum een energielabel is afgegeven op grond van de Regeling energieprestatie gebouwen zoals deze luidde op het tijdstip van afgifte van dat energielabel, en de geldigheidsduur van dat energielabel nog niet is verstreken.
Daar waar geen energie-index volgens bovenstaande methode is bepaald, wordt de waardering van de energieprestatie in afwijking van vorenstaande tabel bepaald aan de hand van de volgende tabel:

 

 

 

 

 

Bouwjaarklasse

Eensgezinswoning

Meergezinswoning**

2002 en later

36 punten

32 punten

2000 t/m 2001

32 punten

28 punten

1998 t/m 1999

22 punten

15 punten

1992 t/m 1997

22 punten

11 punten

1984 t/m 1991

14 punten

11 punten

1979 t/m 1983

 8 punten

 5 punten

1977 t/m 1978

 4 punten

 1 punt

1976 of ouder

 0 punten

 0 punten

In de gevallen waarin een energieprestatievergoeding als bedoeld in artikel 237 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is overeengekomen, wordt het volgende aantal punten toegekend:

 

 

 

Eengezinswoning

Meergezinswoning**

 

32

28

5.Keuken:

 

 

lengte aanrecht: minder dan 1 m

0 punten

 

1 tot 2 m

4 punten***

 

2m en meer

7 punten***

 

6.Sanitair:

 

 

toilet

3 punten

 

wastafel

1 punt

 

douche

4 punten***

 

bad

6 punten***

 

bad/douche

7 punten***

 

7. Woonvoorzieningen voor gehandicapten per € 226,89 van de kosten die de verhuurder aan de voorziening heeft besteed

1 punt

 

 

 

8.Privé-buitenruimten:

 

 

tot 25 m2

2 punten

 

25 tot 50 m2

4 punten

 

50 tot 75 m2

6 punten

 

75 tot 100 m2

8 punten

 

100 m en meer

10 tot 15 punten

 

indien in het geheel géén privé-buitenruimte:

af: 5 punten

 

carport

2 punten

 

9.Punten voor de WOZ-waarde:

 

 

9.1:
– de voor de woning laatstelijk vastgestelde waarde op voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken met een minimum van € 40.480:
bij: 1 punt per € 7.995 van die waarde,
– die waarde, gedeeld door het aantal m2 van de vertrekken en de overige ruimten, bedoeld in de onderdelen 1 en 2, en:
a. indien sprake is van een woning tot 40 m2 gebouwd in het kalenderjaar 2018, 2019, 2020, 2021 of 2022 die is gelegen in een gemeente, genoemd in bijlage III, vervolgens gedeeld door € 51:
bij: een aantal punten gelijk aan de uitkomst van de berekening,
b. in alle andere gevallen dan bedoeld onder a, vervolgens gedeeld door € 122:
bij: een aantal punten gelijk aan de uitkomst van de berekening.

 

 

9.2: Indien een woning is gebouwd in het kalenderjaar 2015, 2016, 2017, 2018 of 2019 en ten aanzien waarvan het totaal aantal punten na saldering van de punten van de onderdelen 1 tot en met 8 en 12, 110 of meer is, worden minimaal 40 punten toegekend.

 

 

9.3: Bij ministeriële regeling worden elk jaar, met ingang van 1 juli, de bedragen, genoemd in 9.1, aangepast met de factor iw, bedoeld in artikel 10.3, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, met dien verstande dat het op basis daarvan berekende bedrag naar boven wordt afgerond op hele euro’s.

 

 

9.4: Bijlage III kan als gevolg van een gemeentelijke herindeling bij ministeriële regeling worden aangepast.

 

 

10.Punten bij renovatie:
– indien een renovatie heeft plaatsgevonden waarbij minimaal € 10.000 in de woning daartoe is geïnvesteerd:
bij: in het kalenderjaar waarin die renovatie is gerealiseerd en de vijf daaropvolgende kalenderjaren, 0,2 punten per € 1.000 per kalenderjaar.

 

 

11.
[Vervallen.]

 

 

12.Bijzondere voorzieningen:

 

 

Uitsluitend bij zorgwoningen:

bij: 35% van de ingevolge de onderdelen 1 tot en met 9.1 en 10 toegekende punten.

 

13.
[Vervallen.]

 

 

14. Rijksmonument:

– indien woonruimte bestaat uit of deel uitmaakt van een rijksmonument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet:

bij: 50 punten

* maximaal 4 punten
** voor de energieprestatie wordt de duplexwoning gewaardeerd als meergezinswoning
*** maximaal verdubbeling in verband met kwaliteitsbijtelling (zie toelichting)

Bijlage III. bij het Besluit huurprijzen woonruimte
Gemeenten als bedoeld in bijlage I, onderdeel A, onder rubriek 9.1a:
Aalsmeer
Amersfoort
Amstelveen
Amsterdam
Baarn
Beemster
Bunnik
Bunschoten
De Bilt
De Ronde Venen
Diemen
Edam-Volendam
Eemnes
Graft-De Rijp
Haarlemmermeer
Houten
IJsselstein
Landsmeer
Leusden
Lopik
Montfoort
Nieuwegein
Oostzaan
Ouder-Amstel
Oudewater
Purmerend
Renswoude
Rhenen
Soest
Stichtse Vecht
Uithoorn
Utrecht
Utrechtse Heuvelrug
Veenendaal
Vianen
Waterland
Wijk bij Duurstede