overig

Tot slot enkele losse punten:

  1. De verhuurder kan de huurder niet tot ontruiming kan dwingen indien de initiële twee maanden ontruimingsbescherming reeds verlopen zijn maar de procedure nog niet is afgerond (art. 7:230a lid 3 BW).
  2. Indien partijen het niet eens zijn over de vergoeding die gedurende de geschorste ontruimingstermijn moet worden betaald dan kan de rechter een redelijk bedrag vaststellen. De maatstaf voor dit bedrag is anders is dan bij de nadere huurprijsvaststelling op het gebied van bedrijfsruimte. Hier gaat het om “prijspeil” ter plaatse, oftewel een marktconforme huur.
  3. Lid 8 geeft aan dat tegen een beslissing van de rechter geen hogere voorziening openstaat. Hoger beroep of cassatie is derhalve niet mogelijk. Dit is uiteraard anders indien sprake is van schending van fundamentele rechtsbeginselen of indien geklaagd wordt dat art. 7:230a BW door de rechter onterecht is toegepast.