tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten

Art. 7:297 BW geeft de huurder wiens huur opgezegd wordt de mogelijkheid om een tegemoetkoming in zijn verhuis- en inrichtingskosten te krijgen. Het gaat hier nadrukkelijk om een tegemoetkoming in de kosten en niet om een schadevergoeding. Daarnaast is een dergelijke vergoeding slechts mogelijk indien een door de verhuurder ingestelde vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst toegewezen wordt. Heeft de huurder zelf opgezegd of toegestemd in de opzegging door de verhuurder dan is een tegemoetkoming niet mogelijk. De omvang van de verhuis- en inrichtingskosten is vrij letterlijk. Het omvat alle kosten die met de verhuizing te maken hebben zoals een makelaar en nieuw drukwerk. Daarnaast ziet de tegemoetkoming op de kosten die gemaakt moeten worden om het nieuwe pand geschikt te maken voor de bedrijfsuitoefening. Bij dit laatste wordt het oude pand als uitgangspunt genomen. Gaat de huurder bijvoorbeeld een veel groter pand huren dan kan hij alleen een tegemoetkoming krijgen in de kosten die hij zou moeten maken om een pand dat vergelijkbaar is met het oude geschikt te maken. Daarnaast wordt vaak een afslag nieuw-voor-oud gehanteerd. De inrichting van het oude pand zal immers al deels afgeschreven zijn.

Tot slot is het tweede lid nog van belang. De rechter geeft de verhuurder een inschatting van de tegemoetkoming alvorens hij de vordering toe- of afwijst. De verhuurder kan dan, met de hoogte van de te betalen tegemoetkoming in het achterhoofd, alsnog zijn vordering tot beëindiging van de overeenkomst intrekken. Als hij dat doet dan geeft de rechter alleen een beslissing omtrent de proceskosten, aldus lid 3.