onderhuur

Art. 7:306 BW geeft een regeling omtrent het eindigen van een onderhuurovereenkomst. Lid 1 bepaalt dat, in afwijking van de regeling rondom de termijnbescherming, de onderhuurovereenkomst gelijktijdig met de hoofdhuurovereenkomst eindigt. Dit gebeurt echter alleen indien het tijdstip van ontruiming door de rechter is vastgesteld. Dit laatste is alleen mogelijk bij een toegewezen vordering van de verhuurder tot beëindiging van de huurovereenkomst. Wordt de hoofdhuurovereenkomst ontbonden, zegt de hoofdhuurder zelf de huur op of stemt hij met beëindiging in dan is er geen tijdstip van ontruiming door de rechter vastgesteld. De onderhuurovereenkomst eindigt dan dus niet gelijktijdig met de hoofdhuurovereenkomst. De onderverhuurder kan de onderhuurder echter niet meer het gebruik van het verhuurde verstrekken en zal dus schadeplichtig zijn. De onderverhuurder is eveneens schadeplichtig indien hij de onderhuurder niet juist heeft geïnformeerd over de looptijd van de hoofdhuurovereenkomst of indien hij bij het eindigen van de hoofdhuurovereenkomst onvoldoende voor de belangen van de onderhuurder heeft gewaakt, aldus lid 2.