Duur van de huurovereenkomst

Art.7:292 BW bepaalt de duur van de overeenkomst betreffende de huur van bedrijfsruimte. Het doel van de wetgever is om de huurder een gegarandeerde huurtermijn van tien jaar te gunnen. Dit volgt dan ook uit de voornoemde artikelen.

Art 7:292 lid 1 BW bepaalt dat de huurovereenkomst voor vijf jaar geldt of indien een langere periode is overeengekomen, voor die periode. Dit houdt in dat indien partijen een overeenkomst voor de duur van drie jaar sluiten zij toch vijf jaar aan elkaar gebonden zijn. Ook een huurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is gesloten, geldt als een overeenkomst voor een bepaalde tijd van vijf jaar.

Art. 7:292 lid 2 BW geeft vervolgens aan wat na die eerste periode gebeurt. De overeenkomst die voor vijf jaar geldt wordt, behoudens geldige opzegging, van rechtswege met nog eens vijf jaar verlengd. Is de overeenkomst voor een bepaalde tijd tussen de vijf en de tien jaar gesloten dan wordt de overeenkomst voortgezet voor vijf jaar minus de tijd die de eerste periode langer dan vijf jaar heeft geduurd. Uiteindelijk komt men dan ook op een overeenkomst voor in totaal tien jaar uit. Een overeenkomst die voor een bepaalde tijd van langer dan tien jaar is gesloten, valt niet onder de werking van lid 2. Deze wordt dus niet voor een bepaalde tijd van rechtswege verlengd. Ter verduidelijking: een overeenkomst die voor drie maal drie jaar is gesloten geldt voor tweemaal vijf jaar. Een overeenkomst die is aangegaan voor zeven jaar geldt voor zeven plus drie jaar.

De overeenkomst die op grond van art. 7:292 BW is verlengd tot tien jaar wordt daarna, behoudens geldige opzegging, van rechtswege voor onbepaalde tijd voortgezet tenzij partijen alsnog een bepaalde tijd overeenkomen of uit de overeenkomst zelf een bepaalde tijd voortvloeit (art. 7:300 lid 1 BW).

Tot slot nog een punt dat door de wetgever over het hoofd is gezien. Indien de overeenkomst voor een periode van langer dan tien jaar is aangegaan dan is art. 7:292 BW niet van toepassing. Dit betekent ook dat de voortzetting voor onbepaalde tijd van art. 7:300 lid 1 BW niet van toepassing is (“krachtens artikel 292 lid 2 is verlengd”). De wet geeft daarmee niet aan of, en zo ja hoe, een dergelijke overeenkomst na verloop van die eerste periode van meer dan tien jaar voort wordt gezet. Op grond van de parlementaire geschiedenis mag echter aangenomen worden dat ook deze overeenkomst voor onbepaalde tijd wordt voortgezet.