Onderhuur

Art. 7:221 BW geeft aan dat de huurder bevoegd is het gehuurde geheel of gedeeltelijk aan een ander in gebruik te geven tenzij hij moest aannemen dat de verhuurder tegen het in gebruik geven aan die ander redelijke bezwaren heeft. De gedachte achter de onderverhuurbevoegdheid is dat de verhuurder er over het algemeen geen zwaarwegend belang bij heeft dat de huurder de zaak zelf gebruikt en dat hij de overeenkomst in de regel ook niet met het oog op de persoon van de huurder aan pleegt te gaan.

De vraag is vervolgens wanneer de onderverhuurder aan moest nemen dat de hoofdverhuurder tegen het in gebruik geven aan die ander redelijke bezwaren had. Uit de wettekst valt op te maken dat er twee elementen zijn waartegen de hoofdverhuurder bezwaren zou kunnen hebben. Allereerst is dat tegen het in gebruik geven zelf en ten tweede is dat tegen de persoon aan wie onderverhuurd wordt (“aan die ander”). Enkele voorbeelden uit de parlementaire geschiedenis van redelijke bezwaren aan de zijde van de verhuurder zijn de
“verhuur van een kostbaar object waarvan het gebruik geheel op de persoon van de huurder is toegesneden en aan ingebruikgeving aan een gezelschap drugsverslaafden of aan een instelling waarvan zonder meer duidelijk is dat zij een voor de huurder kwetsende doelstelling heeft. Ook kan worden gedacht aan een bedrijfsruimte waarvan de huurder aanvankelijk door de huurder vervaardigde producten verkocht, en die de huurder vervolgens aan iemand in gebruik geeft die producten van de concurrent verkoopt. Daarnaast zijn voor de hand liggende voorbeelden ingebruikgeving voor activiteiten die een verhoogd risico voor schade opleveren of schadelijk zijn voor de reputatie van de gehuurde locatie.” (Kamerstukken II 1999/2000, nr. 6, p. 25).

Van groot belang om op te merken is dat afdeling 7.4.5. BW (woonruimte) een eigen, afwijkende regeling kent waarbij onderhuur in beginsel niet is toegestaan.