verjaringstermijnen

Verjaring kan ervoor zorgen dat iemand eigenaar wordt van een zaak of een recht of zelfs dat beperkte rechten ontstaan. Het doel van verjaring is om te zorgen dat na verloop van tijd de juridische en de feitelijke situatie op elkaar aansluiten. Ter illustratie: een vordering tot schadevergoeding verjaart vijf jaar nadat de schuldeiser zowel met de opeisbaarheid van de vordering als met de schuldenaar bekend is geworden. Dit houdt in dat als de schuldeiser vijf jaar lang niets van zich laten horen, hij de vordering niet meer in rechte kan afdwingen. Dit houdt niet in dat de vordering niet meer bestaat, nakoming kan alleen niet meer afgedwongen worden. Hetgeen resteert wordt een natuurlijke verbintenis genoemd. Verjaring speelt echter niet alleen een rol bij geldschulden maar bij alle rechtsvorderingen. Zo kan ook een vordering tot het ongedaan maken van onrechtmatige situatie verjaren. Hierbij valt te denken aan zaken in het burenrecht waarbij bijvoorbeeld de ene buur al 30 jaar over de grond van de andere loopt om een achterweg te bereiken.

Men kan verjaring van de vordering voorkomen door stuiting. Art. 3:316 BW geeft hierbij aan dat de verjaring van de rechtsvordering wordt gestuit door het instellen van een eis alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde.  De verjaring van een verbintenis wordt ex art. 3:317 BW gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. De verjaring van andere rechtsvorderingen wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning, indien deze binnen zes maanden wordt gevolgd door een stuitingshandeling zoals in art. 3:316 BW bedoeld. Art. 3:319 BW geeft vervolgens aan dat na stuiting een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen. De exacte termijn waarop rechtsvorderingen verjaren, is grotendeels afhankelijk van het soort rechtsvordering.  Over het algemeen kan gesteld worden dat rechtsvorderingen verjaren nadat vijf jaar is verstreken sinds het moment waarop de eiser daadwerkelijk een rechtsvordering had kunnen instellen maar in ieder geval 20 jaar nadat het feit op grond waarvan rechtsvordering is ontstaan, heeft plaatsgevonden.

Het concept verjaring kent twee varianten. Allereerst is er de verkrijgende oftewel acquisitieve verjaring en daarnaast de bevrijdende oftewel extinctieve verjaring. Op beide varianten wordt hierna nader ingegaan.

verkrijgende verjaring

Bij verkrijgende verjaring gaat het, zoals het woord al zegt, om verkrijging van een recht door verloop van een bepaalde tijd. Art. 3:99 BW geeft hierbij aan dat rechen op roerende zaken die niet-registergoederen zijn en rechten aan toonder of order door een bezitter te goeder trouw verkregen door een onafgebroken bezit van drie jaren en andere goederen door een onafgebroken bezit van 10 jaren. Voor onroerende zaken en beperkte rechten daarop geldt derhalve een termijn van 10 jaar.

Wil men door verkrijgende verjaring eigenaar worden dan zal aan een aantal eisen voldaan moeten zijn. Zo zal allereerst sprake moeten zijn van bezit. Art. 3:307 BW definieert bezit als het houden van een goed voor zichzelf. Iemand die de fiets van de buurman leent, is dan ook geen bezitter. Hij is wel houder van de fiets doch houdt hij deze fiets niet voor zichzelf maar voor de buurman. Degene die dezelfde fiets niet geleend mag gestolen heeft, is wel bezitter. Immers houdt hij de fiets voor zichzelf aangezien hij geen intentie heeft om de fiets terug te geven aan de oorspronkelijke eigenaar. Hierbij wordt gelijk aangekomen bij het tweede vereiste: de goede trouw. De zojuist genoemde dief is een bezitter te kwader trouw omdat hij weet dat hij geen eigenaar van de fiets is. Stel dat ik van mijn buurman een fiets koop tegen een redelijke prijs. De buurman heeft mij echter niet verteld dat hij helemaal geen eigenaar van de fiets is. Ik ben nu bezitter te goeder trouw omdat ik denk dat ik eigenaar van de fiets ben, en dus de fiets voor mijzelf houd, en dat op grond van alle omstandigheden ook mocht denken. Immers wist ik niet en kon ik niet weten dat de buurman helemaal geen eigenaar van de fiets was en daarmee mij ook geen eigenaar had kunnen maken. De hiervoor genoemde verkrijgende verjaring werkt dan ook alleen ter gunste van de bezitter te goeder trouw.

In het geval van onroerende zaken komt verkrijgende verjaring slechts ter sprake wanneer het gaat om gebreken in de overdracht waarbij de verkrijger niet van deze gebreken op de hoogte was. Gezien het in art. 3:23 BW bepaalde zal wel sprake moeten zijn van een in de openbare registers ingeschreven akte aangezien de goede trouw anders ontbreekt. Een voorbeeld van verkrijgende verjaring bij registergoeden is de situatie waarin de notaris bijvoorbeeld geschorst was op moment waarop hij de akte passeerde. In de openbare registers is dan wel een akte ingeschreven doch is dat geen notariële akte. Indien de verkrijger niet van dit gebrek op de hoogte was, wordt hij na verloop een periode van 10 jaar, ondanks de gebrekkige levering, toch eigenaar van de zaak of het beperkte recht. Een ander voorbeeld is de overdracht door een handelingsonbevoegde welke overdracht door verkrijgende verjaring alsnog geldig wordt. Van verkrijgende verjaring kan in ieder geval geen sprake zijn als partijen niet aan de vormvereisten zoals het opmaken van een notariële leveringsakte hebben voldaan (Hof Arnhem 10 juni 2003, NJ 2004/155).

bevrijdende verjaring

Een rechtsfiguur dat bij onroerende zaken veel vaker de revue passeert dan de verkrijgende verjaring, is de bevrijdende verjaring. Art. 3:105 BW geeft aan dat hij die goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, dat goedverkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. Op grond van art. 3:306 BW bedraagt deze verjaringstermijn 20 jaar. Waar bij verkrijgende verjaring sprake dient te zijn van bezit te goeder trouw, wordt deze eis bij bevrijdende verjaring expliciet niet gesteld. Dus ook degene die bezitter te kwader trouw was, wordt na 20 jaar eigenaar van het goed. Wel is vereist dat hij ondubbelzinnig bezitter is in die zin dat hij zich als eigenaar van het goed gedraagt (Hof Amsterdam 5 februari 2004, NJ 2005/517.

Een goed voorbeeld van de toepasselijkheid van bevrijdende verjaring bij registergoederen is het volgende. A koopt een huis van B inclusief de daarbij behorende grond. Wanneer de buurman enkele weken op vakantie is, besluit A om de schutting op de erfafscheiding een meter te verplaatsen zodat een strook grond van de buurman bij zijn tuin wordt getrokken. A beplant de strook grond met bomen en onderhoudt deze bomen gedurende lange tijd. Oftewel; A gedraagt zich als eigenaar van de in bezit genomen strook grond van de buurman. Wanneer de buurman na 10 jaar erachter komt dat A strook grond zonder recht of titel in gebruik heeft, kan hij vorderen dat A de schutting terugzet op de oude plaats zodat hij weer de beschikking over zijn eigen grond krijgt. Echter, wanneer meer dan 20 jaar zijn verstreken nadat A schutting heeft verplaatst dan is de rechtsvordering van de buurman om de onrechtmatige toestand op te heffen (hem weer de beschikking over de grond te geven) inmiddels verjaard. De buurman kan dan niet meer vorderen dat de schutting wordt teruggezet en A is als gevolg van bevrijdende verjaring alsnog eigenaar geworden van de strook grond ook al was hij niet te goeder trouw.