registergoederen

De wet maakt een onderscheid tussen registergoederen en niet-registergoederen. Volgens art. 3:10 BW zijn registergoederen goederen voor welker overdracht of vestiging inschrijving in daartoe bestemde openbare registers noodzakelijk is. Wil een goed zich kwalificeren als een registergoed dan zal voldaan moeten zijn aan drie vereisten. Ten eerste dient er een register te zijn waarin de vestiging of overdracht kan worden ingeschreven. Ten tweede dient het register openbaar te zijn en ten derde dient inschrijving een zogeheten constitutief vereiste voor de overdracht of vestiging te zijn. Een van de belangrijkste voorbeelden van registergoederen zijn onroerende zaken. Immers is voor de levering van een onroerende zaak of de vestiging van rechten daarop de inschrijving van de notariële leveringsakte in het openbaar register vereist. Naast onroerende zaken kunnen ook roerende zaken in bepaalde gevallen een registergoed zijn. Te denken valt aan teboekstaande zee- en binnenschepen (art. 8:199 BW en art: 8:790 BW) en teboekstaande luchtvaartuigen (art. 8:1306). Naast zaken kunnen ook beperkte rechten registergoederen zijn. Een hypotheekrecht wordt immers gevestigd door inschrijving van de hypotheekakte in het openbaar register.

De kwalificatie als registergoed is met name van belang om te bepalen op welke wijze de overdracht van het goed en vestiging van beperkt recht op het goed dient plaats te vinden. Daarnaast is het onderscheid van belang omdat slechts op een registergoederen recht van hypotheek gevestigd kan worden. Een vergelijkbaar zekerheidsrecht op niet-registergoederen is het pandrecht waarvoor andere vestigingsvereisten gelden. Ook de derdenbescherming bij de verkrijging verschilt tussen registergoederen en niet registergoederen. Zo geldt bij de overdracht van een niet-registergoed art. 3:86 BW en bij een registergoed art. 3:99 BW. Tot slot maakt dit onderscheid nog een verschil met betrekking tot verkrijgende of bevrijdende verjaring. Zo geeft art. 3:99 BW aan dat rechten op onroerende zaken die niet- registergoederen zijn door een bezitter te goeder trouw worden verkregen door een onafgebroken bezit van drie jaren. Voor registergoederen geldt een periode van 10 jaren.

Het is daarmee altijd van belang om te beoordelen of men met een registergoed of een ander goed te maken heeft om te voorkomen dat men in de toekomst geconfronteerd wordt met ongeldige overdracht of een ongeldige vestiging van beperkte rechten.