Algemeen

Zoals al enkele malen aan de orde is gekomen, is de overdracht van een goed pas geldig indien aan alle vereisten van art. 3:84 BW is voldaan. Deze vereisten zijn de titel, de levering en de beschikkingsbevoegdheid. Ondanks het ontbreken van de vereiste beschikkingsbevoegdheid kan een overdracht in bepaalde gevallen alsnog geldig zijn. Het gebrek aan beschikkingsbevoegdheid wordt als het ware geheeld. Het doel van derdenbescherming is om de te goeder trouw zijnde verkrijger te beschermen. De wet maakt een onderscheid de bescherming bij de overdracht van roerende zaken die geen registergoederen zijn, de vestiging van beperkte rechten, de overdracht van vorderingen en de overdracht van registergoederen. Deze varianten worden achtereenvolgens behandeld.

bescherming bij roerende zaken

Art. 3:86 BW geeft aan dat, ondanks de onbevoegdheid van de vervreemder, de overdracht overeenkomstig art. 3:90, 3:91 of 3:93 BW van een roerende zaak, niet registergoed, of een recht aan toonder of order geldig is indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is. Van groot belang is dat art. 3:86 BW enkel beschermt tegen beschikkingsonbevoegdheid. Een geldige titel en levering blijven vereisten voor een geldige overdracht.

Voor wat het de goede trouw betreft, dient aansluiting te worden gezocht bij het in art. 3:11 BW bepaalde. Dit artikel geeft aan dat goede trouw van een persoon, vereist voor enig rechtsgevolg, niet alleen ontbreekt indien hij de feiten of het recht waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben, kende maar ook indien hij ze in de gegeven omstandigheden behoorde te kennen. Onmogelijkheid van onderzoek belet niet dat degene die goede reden tot twijfel had, aangemerkt wordt als iemand die de feit of het recht behoorde te kennen. Kort gezegd gaat het erom of de verkrijger wist of had kunnen weten dat de vervreemder niet beschikkingsbevoegd was. In dat geval wordt hij niet beschermd. De koper heeft dus een zekere onderzoeksplicht wanneer hij gezien alle omstandigheden van het geval eraan zou kunnen twijfelen of de verkoper daadwerkelijk beschikkingsbevoegd is. Koopt men ‘s nachts in een donker steegje een tweedehands fiets voor € 10 dan heeft men uiteraard een zwaardere onderzoeksplicht naar de beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder dan wanneer men in een gerenommeerde fietsenwinkel een tweedehands fiets voor € 200 koopt. Opgemerkt zij dat de goede trouw is geobjectiveerd. Het gaat daarbij niet erom wat deze specifieke verkrijger wel of niet wist maar om wat een objectieve verkrijger (een willekeurig redelijk oordelend mens) wist of had kunnen weten.

Een ander vereiste is dat de overdracht anders dan om niet is geschied. Oftewel; de verkrijger moet de zaak verkregen hebben in ruil voor een tegenprestatie. Heeft hij de zaak gekregen dan komt hem geen bescherming toe.

Een belangrijke uitzondering op de bescherming van de verkrijger is opgenomen in het derde lid van art. 3:86 BW. Hier wordt namelijk aangegeven dat de eigenaar van een roerende zaak die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, gedurende drie jaren, te rekenen van de dag van de diefstal af, als zijn eigendom kan opeisen. In die gevallen wordt de derde verkrijger niet beschermd ook al was hij te goeder trouw en heeft hij de zaak anders dan om niet verkregen. Deze uitzondering is echter weer niet van toepassing indien de zaak door een natuurlijk persoon die niet in de uitoefening van beroep of bedrijf handelde, is verkregen van de vervreemder die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken andersom veilinghouder zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijn de gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan met de bij het een en ander behorende grond, en de normale uitoefening van dat bedrijf handelde. De voornoemde uitzondering gaat eveneens niet op wanneer het geld, toonder- of order papier betreft.

bescherming tegen beperkte rechten

Het is goed mogelijk dat de vervreemder van een goed de eigenaar is, en daarmee beschikkingsbevoegd, maar dat op het goed een beperkt recht zoals een pandrecht of een recht van vruchtgebruik rust. De vraag is wat er met die beperkte rechten gebeurt indien het goed wordt overgedragen zonder dat de verkrijger van deze beperkte rechten op de hoogte was. In beginsel is de eigenaar slechts bevoegd om het goed over te dragen inclusief alle daarop gevestigde beperkte rechten. Deze beperking wordt het “nemo plus” beginsel genoemd hetgeen inhoudt dat men niet meer kan overdragen dan dat men heeft. In dit geval is dat een eigendomsrecht dat bezwaard is met beperkte rechten.

Een verkrijger zou dan ook plotseling geconfronteerd kunnen worden met bijvoorbeeld een pandhouder die de zojuist gekochte zaak opeist terwijl deze verkrijger dacht volwaardig eigenaar te zijn geworden. Ook tegen deze situaties biedt de wet in bepaalde gevallen bescherming aan de verkrijger. Op grond van art. 3:86 lid 2 BW vervalt een beperkt recht dat op een roerende zaak is gevestigd indien het goed overeenkomstig art. 3:90, 3:91 of 3:93 BW anders dan om niet is overgedragen en de verkrijger het beperkte recht op het moment van overdracht kende noch behoorde te kennen. Ook in dit geval dient derhalve sprake te zijn van geobjectiveerde goede trouw aan de kant van de verkrijger. Evenals de bescherming van de verkrijger tegen onbevoegdheid van de vervreemder, geldt de bescherming tegen gevestigde beperkte rechten niet indien de zaak door de oorspronkelijke eigenaar op grond van art. 3:86 lid 3 BW opgeëist kan worden omdat de zaak is gestolen.

wel wetenschap, toch bescherming

Een lastig punt is dat de verkrijger alsnog beschermd kan worden tegen gevestigde beperkte rechten of beschikkingsbevoegdheid terwijl hij wist dat een beperkt recht op het goed was gevestigd of de vervreemder in het geheel geen eigenaar van het goed was. Het gaat er namelijk niet om of hij wist dat vervreemder beschikkingsonbevoegd was of dat er een beperkt recht op de zaak gevestigd was maar of hij mocht aannemen dat de vervreemder bevoegd was om het goed vrij van beperkte rechten over te dragen. Illustratief is de zaak HR 29 juni 1979, NJ 1980/133; Hoogovens/Matex. A kocht zaken van B die door de leverancier van B om de eigendomsvoorbehoud waren geleverd. B was derhalve geen eigenaar en daarmee niet bevoegd om die zaken aan A over te dragen. Vervolgens gaat B failliet. De leverancier van B eist de zaken onder A op terwijl A zich beroept op derdenbescherming. Vast staat dat A wist dat de zaken door die specifieke leverancier aan B waren geleverd en dat het in de branche gebruikelijk was dat dergelijke zaken onder eigendomsvoorbehoud geleverd worden. A had derhalve, althans volgens de leverancier, rekening ermee moeten houden dat B geen eigenaar was waardoor zij niet te goeder trouw was en dus niet beschermd zou worden. De Hoge Raad oordeelde echter, kort gezegd, dat A in dit geval wel degelijk beschermd wordt ondanks dat zij van het eigendomsvoorbehoud wist of had kunnen weten. Indien A ervan mag uitgaan dat B een financieel betrouwbaar bedrijf is dat de rekeningen van haar leveranciers tijdig betaalt, en daarmee alsnog beschikkingsbevoegd wordt, dan is het enkele feit dat A wist dat B als gevolg van het eigendomsvoorbehoud wellicht geen eigenaar was niet voldoende om niet te kunnen spreken van goede trouw.

bescherming bij registergoederen

De hoofdregel bij de bescherming tegen beschikkingonbevoegdheid bij roerende zaken, zijnde dat de verkrijger niet wist van de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder, gaat bij registergoederen veelal niet op. Immers kan men door raadpleging van de openbare registers eenvoudig achterhalen wie de eigenaar van het betreffende goed is en of op dat goed beperkte rechten rusten. Zo geeft art. 3:23 BW ook aan dat het beroep van een verkrijger van registergoed te goeder trouw niet wordt aanvaard wanneer dit beroep insluit een beroep op onbekendheid met feiten die door raadpleging van de registers zouden zijn gekend.

Voor de bescherming van de verkrijger van registergoederen geldt dan ook een andere maatstaf. Art. 3:88 BW geeft namelijk aan dat de overdracht van registergoed, van een recht op naam, of van een ander goed waarop artikel 86 niet van toepassing is, ondanks de onbevoegdheid van de vervreemder geldig is indien de verkrijger te goeder trouw is en de onbevoegdheid voortvloeit uit de ongeldigheid van de vroegere overdracht, die niet het gevolg was van de onbevoegdheid van toenmalig vervreemder. Op grond van art. 3:84 BW zijn de drie vereisten voor een geldige overdracht een geldige levering, een titel en beschikkingsbevoegdheid. Pas als aan al de drie vereisten is voldaan, gaat de eigendom over waardoor verkrijger eigenaar wordt. Stel dat A huis verkoopt aan B. A was echter geen eigenaar van het huis en daarmee niet beschikkingsbevoegd. B is dan ook geen eigenaar van het huis geworden. Ook wordt B niet beschermd omdat hij door raadpleging van de openbare registers had kunnen weten dat A helemaal geen eigenaar van het huis was. In bepaalde gevallen kan B toch eigenaar worden ook al was A geen eigenaar. Art. 3:88 BW geeft namelijk aan dat indien de reden dat A niet beschikkingsbevoegd was een andere was dan het feit dat degene van wie hij het goed heeft gekocht geen eigenaar was, B beschermd wordt tegen A’s beschikkingsonbevoegdheid.

Kortom: heeft A de zaak gekocht van iemand die zelf ook geen eigenaar was dan wordt B niet beschermd. Was degene van wie A de zaak gekocht heeft echter wel eigenaar maar is er in de overdracht van A naar B iets verkeerd gegaan waardoor A alsnog geen eigenaar is geworden dan wordt B wel beschermd. Wil B bescherming genieten dan zal er dus iets misgegaan moeten zijn bij de titel of de levering.