vestiging en reikwijdte

Een recht van hypotheek dient, net als alle andere beperkte rechten op registergoederen, gevestigd te worden bij notariële akte en inschrijving daarvan openbare registers (art. 3:98 jo 3:89 BW). Het hypotheekrecht komt daarmee pas tot stand op het moment dat de hypotheekakte is ingeschreven en niet op het moment waarop de akte bij de notaris verleden wordt. Niet altijd hoeft te schuldenaar ook de hypotheekgever te zijn. Immers kan ook een derde zekerheid bieden voor de schuld van een ander. Verder dient in de hypotheekakte opgenomen te worden voor welk bedrag de hypotheek strekt of een maximumbedrag. Aangezien dit bedrag uit de openbare registers blijkt, kunnen derden zien tot welk bedrag de executie-opbrengst naar de hypotheekhouder zal gaan. Voor zover de schuld het hypotheekbedrag te boven gaat, zal de schuldeiser voor het overige slechts een concurrente vordering hebben. Verder is het het mogelijk dat op een registergoed meerdere rechten van hypotheek zijn gevestigd waarbij de volgorde van inschrijving vervolgens de rang van de hypotheekhouders bepaalt. 

Art. 3:227 lid 2 BW bepaalt dat het recht van hypotheek zich uitstrekt over al hetgeen de eigendom van de zaak omvat. Dit kan ertoe leiden dat de zekerheidspositie van de hypotheekhouder in de loop der tijd verbetert. Ter illustratie: A koopt een stuk bouwgrond en vestigt daarop een hypotheekrecht ten behoeve van B. Vervolgens bouwt A een huis op de grond. Als gevolg van de natrekking ex art. 5:20 BW is het huis eigendom geworden van de eigenaar van de grond. Daarmee valt het huis eveneens onder het hypotheekrecht zonder dat daartoe extra handelingen verricht hoeven te worden.