Bijzondere bedingen

In de hypotheekakte wordt veelal een aantal bijzondere bedingen opgenomen. De meest voorkomende bedingen zijn het beding van niet-verandering (art. 3:265 BW), het hulpzakenbeding (art. 3:254 BW), het huurbeding (art. 3:264 BW), het beheersbeding (art. 3:267 BW) en het ontruimingsbeding (art. 3:267 BW).

Het beding van niet-verandering houdt kort gezegd in dat het de hypotheekgever verboden is om de inrichting of het gedaante van het verhypothekeerde goed te veranderen. Een uitzondering op dit verbod is wijzigingen door een huurder met machtiging van de rechter (art. 7:125 BW). Het hulpzakenbeding betekent dat ook bepaalde roerende zaken onder het hypotheekrecht kunnen vallen. Normaliter zou op roerende zaken pandrecht gevestigd moeten worden aangezien een hypotheekrecht alleen op registergoederen gevestigd kan worden. Echter, omdat de executie van verpande goederen op een andere wijze verloopt dan die van verhypothekeerde goederen, is het mogelijk om roerende zaken die ten dienste staan aan het verhypothekeerde registergoed eveneens onder de werking van het hypotheekrecht te brengen. De executie van deze roerende zaken geschiedt op dezelfde wijze als de executie van het registergoed.

Het huurbeding beschermt hypotheekhouder tegen verhuring van de zaak nadat het hypotheekrecht tot stand is gekomen. Kort gezegd hoeft de hypotheekhouder zich bij een veiling niets van de huurder aan te trekken en kan hij het pand leeg verkopen. Alhoewel dit een ernstige inbreuk op de rechtspositie van de huurder lijkt te zijn, had de huurder bij aanvang van de huurvan dit beding op de hoogte kunnen zijn . Immers is het huurbeding opgenomen in de hypotheekakte die in de openbare registers is ingeschreven en derhalve voor een ieder raadpleegbaar is. Op grond van het beheersbeding kan de hypotheekhouder het recht hebben om de verhypothekeerde zaak in beheer te nemen op het moment dat de hypotheekgever jegens hem tekortschiet. Wel heeft hypotheekhouder hiervoor  machtiging van de rechter nodig. Het ontruimingsbeding zorgt ervoor dat de hypotheekgever het pand leeg moet opleveren wanneer het op executie aankomt.