Hinder

Art. 5:37 BW geeft een algemeen verbod op het toebrengen van hinder aan de eigenaars van andere erven. Als voorbeelden van hinder worden genoemd het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, door het onthouden van licht of lucht of door het ontnemen van steun. De bepaling geeft aan dat toebrengen van dergelijke hinder niet is toegestaan op een wijze die volgens artikel 162 van Boek 6 BW onrechtmatig is. Het artikel is dan ook feitelijk niets anders dan de concrete uitwerking van de onrechtmatige daad. Iets wat vaak als hinder wordt gezien maar dat juridisch vaak niet is, is de afvoer van water van en het ene erf naar het andere. Zo geeft art. 5:38 BW aan dat lagere erven het water moeten ontvangen dat van nature van hoger gelegen erven afloopt. Het gaat hier nadrukkelijk om een natuurlijke verloop van water en de bepaling zie dan ook niet op de afvoer van huishoudelijk of industrieel (afval)water. Tot slot dient de eigenaar van een erf ervoor zorg te dragen dat regenwater op het naastgelegen erf afloopt (art. 3:52 BW).