Grensbepaling en -afscheiding

Een punt dat regelmatig voor discussie zorgt, is de grensafscheiding. Wanneer niet duidelijk is waar de erfgrens precies ligt, biedt de wet een mogelijkheid om deze onzekerheid weg te nemen. Op grond van art. 5:47 BW kan iedere eigenaar op elk moment vorderen dat de rechter de grens bepaalt. Aangezien de wet spreekt over “te allen tijde” is deze vordering niet voor verjaring vatbaar. De rechter heeft bij het bepalen van de grens een grote vrijheid. Zo dient hij de grens te bepalen aan de hand van de omstandigheden van het geval. Hij kan het gebied waarover onzekerheid bestaat in gelijkwaardige of ongelijkwaardige delen verdelen dan wel het in zijn geheel aan een partij toewijzen, al dan niet met toekenning van een schadevergoeding aan een der andere partijen. Mocht de grens van een langs een water liggend erf zich, bijvoorbeeld als gevolg van en vloed, verplaatsen dan verplaatst de grens van het perceel zich met de oeverlijn mee (art. 3:29-34 BW). Ook hier kan bij geschillen de rechter worden ingeschakeld om de grens te bepalen.

Iedere eigenaar heeft verder het recht om zijn erf, en daarmee de erfgrens, op een afdoende duidelijke wijze af te bakenen. Indien er geen geschil bestaat over de exacte ligging van de erfgrens dan is de eigenaar van een erf dan ook gerechtigd om van de eigenaar van het aangrenzende erf te vorderen dat op de grens van de erven behoorlijk waarneembare afbakeningstekens gesteld of de bestaande vernieuwd worden. De kosten hiervoor worden gelijk over beide eigenaren verdeeld (art. 3:46 BW). Tot slot kan ieder der eigenaars vorderen dat de eigenaar van een aangrenzend perceel meewerkt aan het oprichten van een scheidsmuur op de erfgrens ter hoogte van maximaal twee meter.