Beplanting

Beplantingen en bomen kunnen veel overlast voor naburige erven veroorzaken zoals bladval en het ontnemen van zonlicht. Het is in beginsel niet toegestaan om bomen binnen een afstand van twee meter van de erfgrens te hebben. Voor heesters en heggen geldt een afstand van een halve meter (art. 5:42 BW). Echter, indien ingevolge een verordening of de plaatselijke gewoonte andere afstanden gelden dan zijn die afstanden van toepassing. Daarnaast is het mogelijk om andere afstanden overeen te komen door middel van een kwalitatieve verplichting of een erfdienstbaarheid. Van belang is dat een dergelijke erfdienstbaarheid van rechtswege kan ontstaan verjaring (art. 3:206 jo 314 BW). Staan bomen al geruime tijd op een kleinere afstand van de erfgrens dan is toegestaan dan is het derhalve mogelijk dat de vordering tot verwijdering van die bomen reeds verjaard is of dat een erfdienstbaarheid is ontstaan. 

Een andere veel voorkomende vorm van hinder zijn overhangende takken. Overhangende takken dienen door de eigenaar van de boom te worden gesnoeid. Wanneer de eigenaar daartoe is aangemaand maar niet tot actie is overgegaan dan heeft de eigenaar van het aangrenzende erf het recht om de overhangende takken zelf te verwijderen. Eventuele doorschietende wortels mogen echter zonder aanmaning verwijderd worden (art. 5:44 BW). Tot slot worden vruchten die van bomen op een naburige erf vallen, eigendom van de eigenaar van dat erf.