Kernmerken

Art. 3:8 BW geeft aan dat een beperkt recht een recht is dat is afgeleid uit de meer omvattende recht, hetwelk met dat beperkte recht is bezwaard. Feitelijk houdt dit in dat men op zaken en vermogensrechten rechten ten behoeve van derden kan vestigen. Deze rechten beperken het recht van bijvoorbeeld de eigenaar van het goed. Te denken valt aan een recht van de erfdienstbaarheid als gevolg waarvan een buurman het recht krijgt om over de grond van het dienende erf te rijden. Een beperkt recht is altijd afgeleid van een meer omvattende recht zoals het recht van eigendom. Er wordt dan ook een onderscheid gemaakt tussen het moeder- en dochterrecht waarbij deze laatste het beperkte recht is. Een bijzonder aspect van beperkte rechten is dat zij zaaksgevolg hebben. Dit houdt in dat indien het onderhavige goed vervreemd wordt, het beperkte recht op het goed blijft rusten. Heeft men bijvoorbeeld een recht van opstal op een stuk grond gevestigd dan blijft dat recht bestaan ook al wordt de grond overgedragen aan een derde.

Beperkte rechten worden onderverdeeld in twee categorieën: de genotsrechten en de zekerheidsrechten. Op beide varianten wordt hierna ingegaan. Een beperkt recht kan, kort gezegd, twee doelen dienen. Of het geeft de rechthebbende recht op het genot van een goed of het dient ter zekerheid tot nakoming van bijvoorbeeld een vordering. Enkele voorbeelden van genotsrechten zijn vruchtgebruik een erfdienstbaarheid. Voorbeelden van zekerheidsrechten zijn het hypotheekrecht een pand. De meeste beperkte rechten zijn opgenomen in Boek 3 en Boek 5 BW waarbij de zakelijke beperkte rechten in het laatstgenoemde boek zijn opgenomen.

Ontstaan en tenietgaan

De meeste beperkte rechten ontstaan door vestiging. Art. 3:81 lid 1 BW geeft daarbij aan dat hij aan wie een zelfstandig en overdraagbaar recht toekomt, binnen de grenzen van dat recht de in de wet genoemde beperkte rechten kan vestigen. Net zoals bij overdracht van een goed, dient ook bij de vestiging van een beperkt recht voldaan te worden aan de eisen van art. 3:84 BW. Aldus is vereist een levering krachtens een geldige titel door een beschikkingsbevoegde. Voor de vestiging gelden grotendeels dezelfde eisen als voor de overdracht van het goed, zie art. 3:98 BW. Zo is voor de vestiging van een beperkt recht, evenals voor de overdracht, een notariële akte en inschrijving in de openbare registers daarvan vereist. De vestiging van een openbaar pandrecht op een vordering geschiedt bijvoorbeeld door het opmaken van de onderhandse akte en mededeling van de verpanding aan de schuldenaar. Naast vestiging kunnen beperkte rechten ook op een andere wijze ontstaan. Zo kunnen vruchtgebruik en erfdienstbaarheden ook door verjaring ontstaan (art. 3:202 respectievelijk 5:72 BW).

Beperkte rechten zijn in de bepaalde gevallen ook vatbaar voor overdracht, zie art. 3:83 BW. Het mag dan alleen niet gaan om afhankelijke rechten omdat die naar hun aard niet kunnen worden overgedragen.

Art. 3:81 BW geeft aan op welke wijzen beperkte rechten teniet kunnen gaan. Dit kan zijn doordat het recht waaruit het beperkte recht is afgeleid, teniet gaat of door verloop van de tijd waarvoor het beperkte recht is gevestigd. Daarnaast kunnen beperkte rechten tenietgaan door afstand, opzegging, vermenging een andere in de wet genoemde wijzen van tenietgaan. Enkele voorbeelden van dit laatste zijn de dood van de vruchtgebruiker (art. 3:203 lid 2 BW), opheffing van beperkt recht door de rechter (art. 5:78 BW) en de executie van het met het beperkte recht bezwaarde goed door een andere schuldeiser.